|
1639 - Eerste beschrijving van een "sago milt" door Nicolaas Fonteyn |
|
1789 - Beschrijving van een spek-achtige lever door Antoine Portal. Later ook een vergrote lever bij een 8-jarig kind met tuberculose |
|
1842 - "Spek-gelatine"-achtig grijs materiaal in de lever van patiënten met tuberculose, syphilis en kwikvergiftiging beschreven door Carl Rokitansky |
|
1856 - Vermoedelijk de eerste beschrijving van een patiënt met "primaire" amyloïdose door Samuel Wilks. In 1865 beschreef hij nog 5 soortgelijke ziektegeschiedenissen |
|
1872 - Adams en Dowse beschrijven amyloïd bij patiënten met multiple myeloma |
1932 - Ostertag beschrijft de eerste familie met erfelijke amyloïdose (van de nieren) |
|
1945 - Siegal beschrijft patiënten met familiaire goedaardige in aanvallen optredende buikvliesontsteking, een ziektebeeld dat later als naam krijgt de familiaire Middellandse Zeekoorts (FMF). Hierbij wordt in een groot aantal gevallen (tot circa 40%) amyloïdose als late complicatie gezien |
|
1952 - Corine Andrade beschrijft 74 patiënten van vele families uit een gebied rondom een vissersplaats in Portugal, allen met een familiaire amyloïd polyneuropathie |
|
1956 - Rukavina beschrijft familiaire amyloïd polyneuropathie in Indiana |
| 1967 - Eerste internationale symposium over amyloïdose gehouden te Groningen, georganiseerd door Enno Mandema, Luuk Ruinen, Jan Scholten en Alan Cohen |
| 1967 - Jan Scholten beschrijft in Nederland een familie met erfelijke amyloïd polyneuropathie |
| 1968 - Meretoja beschrijft in Finland een erfelijke vorm van systemische amyloïdose gekenmerkt door cornea lattice dystrofie, cutis laxa en een craniale neuropathie |
| 1968 - Shukuro Araki beschrijft in Japan familiaire amyloid polyneuropathie |
| 1969 - Van Allen beschrijft een familie met nier amyloïdose in Iowa |
| 1970 - Rune Andersson beschrijft in Zweden familiaire amyloid polyneuropathie |
| 1977 - Warren beschrijft het frequent voorkomen van carpale tunnel syndroom (CTS) bij patiënten die langdurig gedialyseerd worden. Geleidelijk daarna, eigenlijk pas in 1984, wordt duidelijk dat er sprake is van amyloïd afzetting als oorzaak van zowel het CTS als van andere gewrichtsproblemen. |
| 1993 - Alan Cohen wordt de hoofdredacteur van een nieuw medisch tijdschrift genaamd AMYLOID, The International Journal of Protein Folding Disorders |
![]()
|
1854 - De naam "amyloïd" wordt gebruikt door Rudolph Virchow om afgezet materiaal te benoemen naar aanleiding van de kleurreactie met jodium die leek op de kleurreactie van zetmeel (amylum) |
|
1859 - Friedreich en Kekule tonen in amyloïd de aanwezigheid van eiwitten aan, maar kunnen geen aanwijzingen vinden voor de aanwezigheid van koolhydraten |
|
1875 - Methylviolet kleuring blijkt beter voor de herkenning van amyloïd dan de jodium zwavelzuur test. Onafhankelijk van elkaar beschreven door André-Victor Cornil (Parijs), Richard Heschl (Wenen) en Rudolph Jürgens (Berlijn) |
|
1907 - Alzheimer beschrijft fibrillaire argyrophiele deposities in corticale neuronen |
|
1922 - Hermann Bennhold introduceert de Congo rood kleuring voor amyloïd. In 1927 beschreef Divry de typische appelgroene dubbelbreking (o.a. in corticale neuronen bij de ziekte van Alzheimer) |
| 1959 - Alan Cohen en Evan Calkins beschrijven de fibrillaire structuur van amyloïd onder de elektronenmicroscoop |
| 1961 - Ehrlich ontdekt lokale afzetting van amyloïd in de eilandjes van Langerhans in de pancreas bij patiënten met diabetes mellitus type II |
| 1966 - Bladen en Glenner beschrijven serum amyloïd P component |
| 1968 - Eanes en Glenner tonen de beta-vouwbladstructuur aan als basisstructuur van de fibrillen |
| 1968 - Mordechai Pras introduceert extractie methode van eiwitten uit fibrillen met behulp van water. Hierdoor wordt chemische karakterisering van de amyloïd eiwitten mogelijk, zoals blijkt in de jaren erna |
| 1971 - George Glenner toont aan dat sommige amyloïd fibrillen afkomstig zijn van het variabele gedeelte van een kappa of lambda lichte keten |
| 1972 - Earl Benditt beschrijft AA amyloïd als het nieuw gekarakteriseerde kenmerkende eiwit in "secundaire" amyloïdose |
| 1973 - Franklin en Levin tonen de aanwezigheid in bloed aan van serum amyloïd A eiwit (SAA), dat later gekarakteriseerd wordt als een acute fase eiwit |
| 1978 - Pedro Costa beschrijft prealbumine (transthyretine) als kenmerkend eiwit van familiaire amyloid polyneuropathie |
| 1980 - Knut Sletten beschrijft prealbumine (transthyretine) als kenmerkend eiwit bij een patiënt met seniele systemische amyloïdose |
| 1983 - Cohen beschrijft cystatine-C als kenmerkend eiwit van de IJslandse erfelijke cerebrale amyloïd angiopathie |
| 1984 - Tawara en Araki beschrijven een puntmutatie in het transthyretine gen, leidend tot substitutie van methionine in de plaats van valine op positie 30, bij patiënten met familiaire TTR amyloïd polyneuropathie |
| 1985 - Fumitake Gejyo beschrijft β-2-microglobuline als kenmerkend eiwit van de dialyse-gerelateerde amyloïd arthropathie |
| 1988 - Nichols en Benson vinden apolipoproteine AI als kenmerkend eiwit van een erfelijke vorm van systemische amyloïd polyneuropathie in Iowa |
| 1990 - Peter Maury beschrijft gelsolin als het kenmerkende eiwit van de Finse vorm van erfelijke amyloïd neuropathie |
| 1993 - Merrill Benson beschrijft de fibrinogeen Aα keten als kenmerkend eiwit van een erfelijke vorm van renale systemische amyloïdose |
| 1993 - Mark Pepys beschrijft lysozym als kenmerkend eiwit van een erfelijke vorm van renale systemische amyloïdose |
| 2001 - Merrill Benson beschrijft apolipoproteine AII als kenmerkend eiwit van een erfelijke vorm van renale systemische amyloïdose |
![]()
| 1986 - Zemer toont aan dat behandeling van familiaire Middellandse Zeekoorts (FMF) met colchicine niet alleen de aanvallen bestrijdt, maar ook de AA amyloïdose als late complicatie voorkomt |
| 1988 - Philip Hawkins en Mark Pepys introduceren de 123I-SAP scintigrafie voor het in beeld brengen van organen die betrokken zijn bij amyloïdose in patiënten met amyloïdose |
| 1991 - Holmgren introduceert levertransplantatie als behandelingsmogelijkheid bij patiënten met een familiare ATTR amyloïd polyneuropathie |
| 1996 - Martha Skinner toont aan dat de combinatie van prednisolon, melfalan en colchicine een gunstig effect heeft op de overleving bij patiënten met AL amyloïdose vergeleken met colchicine alleen |
| 1996 - Ray Comenzo toont de eerste resultaten bij patiënten met AL amyloïdose, waarbij hoge dosis melfalan met stamcel ondersteuning mogelijk een sterker effect heeft op de plasmacel kloon in het beenmerg dan de tot dan toe gebruikte prednisolon en melfalan kuren |
| 1997 - Bob Kyle bevestigt de bevinding van Martha Skinner dat de combinatie van prednisolon en melfalan een gunstig effect heeft op de overleving van patiënten met AL amyloïdose en dat toevoeging van colchicine geen verbetering laat zien |
| 2001 - Julian Gillmore laat zien dat effectieve verlaging van de bloedspiegels van serum amyloïd A eiwit (SAA) een gunstig effect heeft op het beloop van de AA amyloïdose bij patiënten met deze aandoening |
| 2004 - Martha Skinner bevestigt de resultaten van Ray Comenzo in een grote groep patiënten met AL amyloïdose |
| 2005 - Morie Gertz beschrijft namens een aantal onderzoeksgroepen bij AL amyloïdose een gezamenlijke set criteria voor enerzijds orgaanbetrokkenheid en anderzijds verbetering dan wel verslechtering tijdens therapie |
![]()