Zoals al vermeld kunnen verschillende eiwitten op verschillende plaatsen neerslaan in weefsels als amyloïd. Dit kan plaatselijk blijven (zoals in de alvleesklier, in hersenen, in de luchtpijp) of door het hele lichaam heen. In het eerste geval spreken we van lokale amyloïdose en in het tweede geval van systemische amyloïdose. Lokale vormen van amyloïd komen frequent voor (zoals in de hersenen bij de ziekte van Alzheimer en in de alvleesklier bij ouderdomssuikerziekte) en – ondanks het feit dat ze dezelfde naam amyloïd dragen – zijn ze dus verschillend van elkaar en ook van de systemische vormen van amyloïd.
Daarnaast kan onderscheid gemaakt worden in erfelijke vormen en niet-erfelijke (zogeheten verworven) vormen. Tegenwoordig is een nadere chemische typering van het amyloïd mogelijk en wenselijk. Dit kan bijvoorbeeld door een stukje weefsel (biopsie) nauwkeurig te onderzoeken en te herleiden uit welk type eiwit het amyloïd is opgebouwd. De vijf belangrijkste systemische vormen van amyloïd die onderscheiden worden (vier verworven en een erfelijke) zijn respectievelijk het AA-, AL-, Aß2M- en twee ATTR-typen:
Verworven AA amyloïdose, als gevolg van chronische ontsteking. Het acute fase eiwit serum amyloïd A (SAA) is hier het precursor eiwit. Klinisch vooral gekenmerkt door proteïnurie en nierfunctiestoornissen.
Verworven AL amyloïdose, als gevolg van een plasmacel dyscrasie. Het precursor eiwit is een kappa of lambda lichte keten. Klinisch zeer gevarieerde verschijningsvormen waaronder o.a. cardiomyopathie, hepatomegalie, nefrotisch syndroom, ernstige diarree, carpale tunnel syndroom en neuropathie (zowel perifeer als autonoom).
Verworven Aß2M amyloïdose, als gevolg van dialyse nodig vanwege nierinsufficiëntie. Het eiwit ß2-microglobuline is hier het precursor eiwit omdat dit eiwit niet meer goed verwijderd kan worden uit het lichaam. Klinisch vooral gekenmerkt door carpale tunnel syndroom en gewrichtsproblematiek (schouders, handen, heupen, wervelkolom, etc.)
Verworven ATTR amyloïdose, gezien bij hoge ouderdom (vooral boven de 80) van het normale ongemuteerde precursor eiwit transthyretine (TTR). Klinisch gekenmerkt door een langzaam progressieve cardiomyopathie.
Erfelijke ATTR amyloïdose, als gevolg van een (autosomaal dominant) erfelijke puntmutatie van het precursor eiwit transthyretine (TTR). Klinisch vooral gekenmerkt door (familiaire) perifere en autonome neuropathie, maar ook wel door cardiale, renale en oculaire betrokkenheid.
![]()
Hieronder volgt een overzicht van de vier verworven vormen van systemische amyloïdose.
Type |
Precursor |
Achterliggende ziekte |
Klinische verschijnselen |
| AA | Serum Amyloid A | Chronische ontsteking | Nefropathie, autonome neuropathie, enteropathie |
| AL | Kappa, lambda | Monoclonale plasmacel dyscrasie | Cardiomyopathie, nefropathie, hepatopathie, splenomegalie, arthropathie, CTS, neuropathie, enteropathie, glossomegalie |
| Aß2M | ß2-microglobuline | Langdurige dialyse | CTS, arthropathie |
| ATTR | Transthyretine | Ouderdom | Cardiomyopathie |
![]()
Behalve de ATTR amyloïdose zijn er nog andere, zeldzamere vormen van erfelijke systemische amyloïdose. Hieronder volgt een overzicht.
Gemuteerd eiwit |
Klinische verschijnselen van de verschillende mutaties |
| Apolipoproteïne A-I | Perifere neuropathie, nefropathie, ulcus pepticum, leverinsufficientie, cardiomyopathie, dermatopathie, larynx |
| Apolipoproteïne A-II | Nefropathie |
| ABri | Dementie |
| Cystatin C | Cerebrale bloeding |
| Fibrinogeen A α-chain | Nefropathie |
| Gelsolin | Craniale neuropathie, dermatopathie, cornea lattice dystrofie |
| Lysozyme | Nefropathie, sicca syndroom, petechiën in de huid, gastrointestinale bloedingen, leverbloedingen |
| Transthyretine (TTR) | Perifere en autonome neuropathie, cardiomyopathie, nefropathie, glasvocht troebelingen |
| Leukocyte chemotactic factor 2 (LECT2) | Nefropathie |
En ook omgekeerd (naar Benson MD, AMYLOID 2005; 12:75-85):
Klinische verschijnselen van de verschillende mutaties |
Gemuteerd eiwit |
| Glasvocht troebelingen | Transthyretine |
| Neuropathie | Transthyretine, Apolipoproteïne A-I (G26R) |
| Restrictieve cardiomyopathie | Transthyretine, Apolipoproteïne A-I (C-terminaal) |
| Nefropathie | Apolipoproteïne A-I, A-II, Fibrinogeen A α-chain, Lysozyme, Leukocyte chemotactic factor 2 |
| Hepatopathie | Apolipoproteïne A-I, Lysozyme |
| Dermaal | Apolipoproteïne A-I (C-terminaal), Gelsolin, Lysozyme |
| Laryngeaal | Apolipoproteïne A-I (C-terminaal) |
| Cornea lattice dystrofie | Gelsolin |
![]()